De herder en de Hilligen Boom | Historie

Ten Arlo 1500 jaar geleden. Foto: Albert Metselaar

Historicus Albert Metselaar duikt wekelijks voor de Hoogeveensche Courant in het verleden. Deze keer: de sage van de Hilligen Boom.

Kampvuurverhalen, ja, die uitdrukking kennen we wel. Maar kampvuren, buiten Scouting om zijn die zeldzaam. Nee, we doen het nu met de BBQ, en dan wordt net zoveel verteld. Deze zomer een mooie serie BBQ-verhalen. Om te lezen en gewoon op je eigen manier maar na te vertellen….. Dit keer de sage van de Hilligen Boom.

Luchien ten Heuvel was een vrolijk kind, dat goed at en dronk. Het speelde mee met de kinderen van Ten Arlo, waar hun boerderij al vele eeuwen deel van uitmaakte. De boerderij op de heuvel, Ten Heuvel, in de streek Ten Arlo. Het kind vocht mee met de jongens en was net zo gek op appels als zowel de jongens als de meiden uit de buurt. D’r was niks mis mee. Tot die dag. Die ene dag, dat alles anders werd.

Het vrolijke kind was verdwenen

’s Morgens was hij nog met varkens op pad geweest, nadat hij had geholpen met melken. ’s Middags werd er gras gemaaid, want het stond hoog en er moest hoooi gewonnen worden voor de winter. ’s Avonds werd hij op een ladder in huis gedragen. Hij was uit een appelboom gevallen. Zijn been was gebroken. Dat herstelde weer, na een paar weken. Zijn arm… zijn rechterarm, die wilde niet meer wat hij wilde. Dat zou nooit weer goed komen, zeiden de mensen op de boerderij. En zijn kop? Die werd dwars. Het vrolijke kind was verdwenen.

Luchien kreeg een plekje op de ‘sleten’, de droge ronde rechte bomen, waarop het hooi boven het vee werd opgeslagen. Daar kon hij mooi met zichzelf vechten. Het gewone boerenwerk was niks meer voor hem. Hij was rechts, die arm wilde niet meer wat hij wilde, en links alles opnieuw aanleren was geen goed idee, met een dwarse kop. Maar een boer of een knecht met één arm, dat werkte niet. Zijn benen waren vrij goed, al trok hij wat met dat ene, dat gebroken was geweest.

Hij moest er maar helemaal op uit trekken. Dat was het beste. Voortaan sliep Luchien op de ‘sleten’ boven het schapenhok. Overdag ging hij het veld in met de schapen, een koppel koeien, een paar geiten, de hond – de enige die hem leek te begrijpen – en een mooie handgesneden en zelf gesneden herdersstaf. Aan de ene kant een haak, om schapen te pakken, aan de andere kant een schopje. Hij gooide waar nodig met alle woede die in hem was de kluiten en stenen – ook dat – zo ver een schaap kon afdwalen. Tussendoor sneed hij figuren in zijn staf.

Luchien zag zijn erfdeel aan zich voorbijgaan

Het leven ging verder. De jongens en meiden van Ten Arlo trouwden. Luchien zag zijn erfdeel aan zich voorbijgaan, toen vader zijn jongere broer aanwees als zijn opvolger. Tja, want een invalide minderwaardige boer, dat werd nooit wat. En niemand die naar Luchien wilde luisteren. Hij had zelf wel ideeën over hoe het verder kon. Nee hoor, daar heb je die onnozele Luchien weer, werd er dan gezegd. Ze zouden uiteindelijk allemaal stil worden, toen Luchien zij verhaal zou vertellen. Een diepe ervaring, samen met zijn houtsnijwerk. Ook dat had hij zich linkshandig aangeleerd. Je moest toch wat, op de lange winteravonden. Verder mocht ‘die onnozele’ toch niks.

In een droom verscheen een heilige

Het was ergens diep in de nacht. Had het te maken met de opstijgende stalluchten? Was er een heilige die zich over hem ontfermde? Of werd God zelf genadig voor Luchien? Die had al jaren gebeden om genezing. Wat hij ook allemaal al had geleerd met één arm, hoe slim hij ook was, er veranderde niets, tot die nacht. In een droom verscheen aan hem een heilige. Ja, dat moest het wel geweest zijn, want wie verschijnt er anders in je dromen? Hij, Luchien, was naar Lucas genoemd, de genezende evangelist. Was het Lucas? Maakt ook niet uit. Luchien zag daar iemand lopen, in die droom. Hij liep naar een grote boom met een hele brede kruin. Een prachtige, oude, vrijstaande eik… nee het was een vlier, maar dan wel een hele grote, prachtig in bloei. De brede stam splitste zich op in wijd uitstaande takken. “Waar de stam zich opsplitst in vier armen, daar staat een beeldje, dat alles zan veranderen” , zei een stem. “Houdt uwen ouwe moer voor een onnozele en laat mij slapen” , mompelde Luchien. De stem herhaalde de boodschap. Luchien werd door het visioen tot op de stam van de boom gebracht, en zag een moeder met een kind op de arm. Een vrolijk kind. Het kind dat hij zelf was geweest.

Daar stond die boom

De andere dag in het veld was het alsof hij door een smidshamer geslagen werd. Hij herkende de boom uit het visioen, in het veld ten zuiden van Ten Arlo. Daar stond die boom. gewoon in het veld! Hillegie, de schapenhoedster van Lubbinge, zorgde met haar broers voor een ladder. Luchien klom naar boven: “Ik zie, ik zie……” Daar bleef het bij. De ladder gleed weg en Luchien ging mee. Hij werd 7 dagen en 7 nachten verpleegd door Hillegie. Hij kwam weer bij, bedankte haar…. En stak zijn lamme hand naar haar uit. Hij streelde haar mooie haar. Luchien was genezen.

Luchien vroeg om een mooi stuk perenhout. Zijn rechterarm was zo lang niet gebruikt, dat de spieren slap en dun waren. Hij moest de controle erover helemaal terughalen. Dat was oefenen en oefenen. Dat was bij voorbeeld wekenlang meewerken en meeleven met de arbeiders, en wekenlang iedere avond werken aan het stuk perenhout. “Dit heb ik gezien in mijn droom” , vertelde Luchien, toen hij een mooi beeldje van een jonge vrouw liet zien, met een vrolijk kindje op de arm. “En wat zag je echt in de boom?” vroeg Hillegie. Luchien heeft niet de tijd gekregen om antwoord te geven. Iedereen keek vol verbazing naar het mooie lichte perenhouten beeldje. “Maria! Jezus! De Heilige Moeder!” , klonk het door de boerderij en over alle delen en bij alle haardsteden van Drenthe en Overijssel, binnen een maand daarop. Sindsdien wist iedereen waar de Hillegen boom stond. De boom van ‘Marrije mit het lachebekkie’. Zelfs na de overgang naar het protestantisme kwam men er stiekem bidden.

Weer een vrolijke man

Luchien ten heuvel werd weer een vrolijke man. Deze vrolijke man ging met de kerstdagen van een onbekend jaar naar zijn jongere broer, om hem te vertellen dat hij zijn erfdeel kwam opeisen. “Ik ben genezen. Jij hoort je plaats te weten. Dat is naast mij, niet boven mij.” En zo is het gekomen dat Ten Heuvel werd opgesplitst in twee boerderijen. Luchien woonde met Hillegie op vaders erf.

(Oude kaarten tonen een ‘Hillegen Boom’. De plaats: ten oosten van de kerk van Zuidwolde, omgeving Boslaan. Hij stond er nog in de 17e eeuw. ‘Hillegen holt’ was ook de benaming van vlierenhout. Maar dit was natuurlijk een ‘Hillegen boom’, een heilige boom, en geen grote op afstand herkenbare vlierboom. Of was het de boom waar Luchien Hillegie ontmoette, Hillegies Boom?)


Nieuws

menu