De grote razzia van 2 en 3 oktober 1942 | Historie

Tjalma wijst de weg. Foto: Archief Albert Metselaar

Historicus Albert Metselaar duikt wekelijks voor de Hoogeveensche Courant in het verleden. Deze keer: De grote razzia van 2 en 3 oktober 1942

Wat voor woord we er ook voor gebruiken: Shoah, etnische zuivering, volkerenmoord, er verandert niets aan de realiteit. Er vond op 2 en 3 oktober 1942 iets vreselijks plaats, wat zijn gelijke niet had in de Nederlandse geschiedenis. Begin oktober 1942 kwamen er plusminus 17.000 Joden uit heel Nederland naar Kamp Westerbork. Alle Joodse werkkampen waren ontruimd. De Joodse bevolking van Groningen, Friesland, Drenthe en Overijssel werd weggevoerd.

De Joodse bevolking van Hoogeveen werd al op 15 mei 1940 administratief overgeleverd aan de Duitsers, toen er nog geen Duitse regering in Nederland was en er nog alle gelegenheid was om verzoeken te vertragen. Dit leidde tot een suïcide van een van de Joodse inwoners. Tjalma was voor zover nu bekend is, de eerste burgemeester van Nederland die Joodse inwoners van zijn gemeente registreerde. Met Tjalma begon in Nederland de Jodenvervolging. Daarna volgden nog diverse lijsten, zodat de Duitsers keer op keer op de hoogte werden gesteld van de actuele stand van zaken. Dat hij helemaal niets wist van wegvoeren van de Joodse gemeenschap, toen hij na 3 oktober 1942 terugkwam van een familiebijeenkomst, is niet geloofwaardig. Los daarvan had Hoogeveen een gemeentelijk politiekorps. Alle anti-Joodse maatregelen, het afhandig maken van radio’s en fietsen, en het ophalen van de Joden zelf, gebeurde onder zijn verantwoordelijkheid als hoofd van de gemeentelijke politie. Er waren geen voor Nederlandse begrippen wettige redenen om de Joodse bedrijven te sluiten, om grondbezit en goederen afhandig te maken, noch om de mensen op te pakken en af te voeren naar een land, waarin ze onder een vreemde mogendheid vielen. Maar Tjalma werkte mee, en/of anderen werkten mee, die onder zijn verantwoordelijkheid vielen. Met als hoofd van de ambtelijke organisatie: secretaris Heslinga.


Hoe gingen andere gemeenten in Drenthe, of de onmiddellijke omgeving, om met hun Joodse burgers? Ik heb een gang langs tal van gemeenten gemaakt. De dossiers zijn op tafel geweest. Enkele indrukken:


Ruinen, burgemeester Van Holthe tot Echten. Secretaris: S.Siegstra.

De Joodse gemeenschap van Ruinen was klein en goed geïntegreerd, zonder een eigen gezicht te verliezen. De eerste lijst met personen die geheel of gedeeltelijk van Joods bloed zijn, is opgemaakt naar aanleiding van een circulaire van de bezetters van 25 februari 1941. De lijst kent 13 namen en gegevens van personen. De laatste beide personen waren voor een kwart joods. Ze waren tevens getrouwd met niet-Joodse Ruinense inwoners. Het ging maar door. 2 juli 1942, weer een Jodenlijst. Verstuurd aan de Zentralstelle für Jüdische Aus-wanderung . De Joodse bevolking wordt weggevoerd door gemeenteveldwachter Siert Wieringa en wachtmeester der marechaussee J. Wierenga van de post Ruinen.


Meppel, burgemeester Wisman. Secretaris: H.H. de Carpentier

Overeenkomstig de verordening van 10 januari 1941 moesten alle personen, geheel of gedeeltelijk van Joods bloed, worden geregistreerd, op aan de bezetter door te geven lijsten. Aldus gebeurde in Meppel. En waar de lijsten in te leveren? Bij de commandant van de SS en de SD te Assen. Een opgave in tweevoud. Voor vrijdag 15 mei, eerste post. Dat is de tweede lijst geworden. Op 10 juli komt er een derde lijst, opgestuurd naar “die Zentralstelle für Jüdische Auswanderung” . Een centraal bureau voor Joodse emigratie, kortom, men wist van wegvoering. En zo gaat het door. Er werden 232 Meppeler Joden vermoord. Slechts 18 mensen van de gemeenschap overleefden de oorlog.


Dwingeloo, burgemeester Stork. Secretaris: Hendrik Henkel

Op 26 februari 1941 werd de eerste Jodenlijst door de burgemeester ondertekend. Het waren 11 namen. De burgemeester meldde op 14 april 1942 aan de SD te Assen dat de verordening betreffende de afvoer van Joden volledig was uitgevoerd. De gemeente zorgde zelf voor de afvoer naar Kamp Westerbork.


Smilde, burgemeesters Berghuis en Van Deemter. Secretaris: J. de Haan

Burgemeester Berghuis was lid van de ARP en het verzet. Hij stapte in november 1941 op na een ernstig conflict met de NSB. Onder zijn leiding werd op een brief van 25 februari 1941 van de Procureur-Generaal c.q. directeur van Politie te Leeuwarden gereageerd met het opsturen van een lijst met namen en gegevens van alle 25 inwoners van de gemeente Smilde. De Joden werden naar Kamp Westerbork vervoerd door de garagehouders en vrachtrijders uit de plaats zelf. Burgemeester Van Deemter vroeg op 28 december 1942 nog wel waar ze Joodse inwoners gebleven waren. Het ging om de administratie. ‘Vertrek onbekend waarheen’, dat probeerde hij te voorkomen. Hij gaf aan welke Joden hij had laten doorsturen naar Westerbork en voegde er voor de zekerheid aan toe dat er niet meer aangetroffen waren in zijn gemeente dan de personen op het lijstje.


Assen, burgemeesters Bloemers en Boelens Secretaris: mr. L. Brender à Brandis

Op 13 maart 1941 levert Bloemers 443 formulieren in bij de Rijksinspectie van de Bevolkingsregisters met de namen en gegevens van Joodse inwoners van Assen. Beide burgemeesters, een locoburgemeester en de ondersteunende ambtenaren waren welwillend in het verzamelen en doorgeven van alle informatie die de Duitsers nodig hadden om de Joodse gemeenschap te vernietigen.


Beilen, burgemeester Wytema. Secretaris: H.Thalen

Wytema vroeg op 25 februari 1941 om 75 formulieren om te kunnen voldoen aan het Besluit Meldingsplicht van 27 januari 1941. Dat ging zo door. Burgemeester Wytema was één van de weinige burgemeesters in Nederland die weigerde mee te werken bij de arrestatie en feitelijke wegvoering. Er was geen juridische grond, op basis waarvan dit kon gebeuren. Hij werd ontslagen. Deze weigering heeft hem in het naoorlogse Nederland ook een zekere status gegeven. De feiten zijn echter, dat zijn medewerking aan de voorbereiding van de wegvoering zodanig was, dat de bezetter alle informatie had die nodig was, om zonder hem alle Joden op te pakken. Burgemeester en ambtelijke ondersteuning waren even welwillend als in de andere Drentse gemeenten gelijkende functionarissen waren.


Zo kunnen we in gelijke strekking verder vertellen over:

Emmen, burgemeester Bouma. Secretaris: H.R. van Bruggen

Coevorden, burgemeester Gautier. Secretaris: J.Lammerts

Zuidlaren, burgemeesters Nijenhuis, Gaarlandt en Roukema. Secretaris: G.Eggens


In dit overzicht hebben we de Drentse boekhouders van de Holocaust een naam gegeven. De Joodse bevolking van Drenthe bestond volgens de volkstelling van 1941 op dat moment uit 2498 personen. De dodenlijst van Joods Drenthe telt 1240 namen. Ze werden vermoord, omdat ze Joods waren.

Nieuws

menu