'De doden keerden terug': veranderend geloof rondom overlijden

Historicus Albert Metselaar duikt wekelijks voor de Hoogeveensche Courant in het verleden. Deze keer: begraafplaatsen en de dood

Bijzonder grafteken te Hollandscheveld

Bijzonder grafteken te Hollandscheveld Foto: Archief Albert Metselaar

Beleving rondom dood en overlijden is nogal aan veranderingen onderhevig. Dat is nu zo, en dat was ook in de voorgaande eeuwen. Er was tevens sprake van veel belevingen rondom de dood, die we tegenwoordig soms geloof en soms bijgeloof zouden noemen, maar die toentertijd als één geheel deel uitmaakte van wat de mens voor feitelijk hield. De dood als feitelijkheid had voor de mens te maken met het hogere, met God of de duivel. De dood als een ‘gewoon’ onderdeel van de natuur, van een natuurlijk proces dat we als mensen moeten doorlopen, is een 20ste eeuwse gedachte.

Door God gewild

De dood was voornamelijk een door God gewild einde aan dit leven, als het Zijn tijd was. Ook al had dit te maken met besmettelijke ziekten, ongevallen, dat deed er niet toe. Je stierf als Hij vond dat het je tijd was. We vinden dit bijvoorbeeld uitgedrukt in de overlijdensadvertentie van Marinus, in de Hoogeveensche Courant van 30 november 1918. Marinus stierf aan de Spaanse Griep, evenals tientallen andere veldelingen in zijn omgeving. We lezen: ‘Heden behaagde het de Heere van onze zijde weg te nemen, ons innig geliefd zoontje, broertje en kleinzoontje Marinus, in den aanvalligen leeftijd van 2 jaar en 6 maand. Een troost in deze voor ons zo onbeschrijflijke smart is de hoop op een zalig wederzien in de Grote Dag der Dagen.’ Het bericht was geplaatst door de ouders en grootmoeder M.van der Weide.

Je zou zeggen….. als het je tijd is, dat zeggen we nu toch ook wel? Ja, maar de context is veranderd. Je stierf als Hij vond dat het je tijd was, maar aan de andere kant waren er velen die ervan overtuigd waren, dat de duivel tussentijds eveneens in kon grijpen. Deze deed dat bijvoorbeeld doordat mensen een verbond met hem aangingen, en vanaf dat moment konden heksen. Dit geloof aan heksen is in de 17de eeuw christelijk gefundeerd in de theologie van bijvoorbeeld Wilhelmus à Brakel, en werd uitgewerkt in zijn standaardwerk ‘Redelijke Godsdienst’. Dit oude gedachtengoed werd in Hollandscheveld en omstreken aangehangen tot zeker 1938. Het betrof toen een laatste uiting, vastgelegd in de Hoogeveensche Courant van 14 mei 1938. We lezen: “Holl.Veld. Alhier doet zich nog eens een geval voor van hekserij. Men moet dan weten dat de fam. G. een kind heeft dat behekst is. Men wil dat een oude buurman het gedaan heeft. De fam. G. heeft een wonderdokter (duivelbanner) geraadpleegd in Duitsland. Iemand die wel meer zieken behandelt, dat wil zegen, er gaan sommigen naar toe. Nu is het niet erg meer met de heksen, zij verdwijnen zo zachtjes aan, maar er zijn er nog altijd enkelingen die er geloof aan slaan.”

De duivel

Of het nu de Heer was, die een dierbare had weggenomen, of het was de duivel geweest, die door hekserij zijn invloed had laten gelden, zeker was, zo geloofden velen, dat tot aan het moment van de dood zelf de Heer en de duivel beiden uit waren op de ziel. Soms kon de duivel zelf gezien worden. Een voorbeeld van een overlevering hieromtrent: Het was begin november 1939. Roelof (1855-1939), lag op sterven, in zijn woning achterop een wijk. Zijn zoon zou dokter Reijnierse halen. Het was donker, toen hij langs een dijkje westwaarts liep. Aan de nachtelijke hemel stond een heldere maan. Hij schrok, toen hij aan zijn rechterhand een donkere gestalte ontwaarde. Dat moest de duivel zijn. De duivel zat al klaar, in de hoop de ziel van zijn vader mee te kunnen nemen, zo zoonliefs vaste overtuiging. Doodsbenauwd arriveerde hij bij dokter Reijnierse, en hij ging niet weer naar huis voordat Reijnierse ook zover was. Samen gingen ze via het dijkje, bij de donkere bossen langs, terug naar het huis van de zieke. De andere dag vertelde Roelofs zoon in het turfveld dit voorval aan een collega-turfgraver. Deze vroeg of die duivel rechts van hem had gelopen, net zoals in sommige bijbelteksten wordt gesproken over een ‘duivel aan je rechterhand’. Dat klopte. Toen vroeg hij, of die duivel verdwenen was,

toen Roelofs zoon bij een noordwaarts lopend wijkje was aangekomen, en naar het noorden liep. Dat klopte ook. Toen was het voor zijn collega duidelijk wat die duivel was geweest. Zijn collega was ervan overtuigd dat Roelofs zoon geschrokken was van zijn eigen schaduw. Een nachtelijke schaduw komt niet veel voor. De heldere volle maan had er echter geen moeite mee gehad om een schaduw te werpen. De oude Roelof stierf kort daarop, november 1939. Zo was de herinnering te dateren.

‘Dwaallichtjes’

Men geloofde in de opstanding van het afgelegde en zondige lichaam, bij de wederkomst van Christus, maar velen geloofden in de 19de eeuw ook nog in het omzwerven van de doden in het hier en nu. Twee religieuze systemen, christendom en oude Germaanse gedachten, lijken door elkaar te lopen. De ‘dwaallichtjes’, lichteffecten boven moerassen en open water, werden beschouwd als de zielen van ongedoopt overleden kindertjes, en anderen die niet in de hemel werden opgenomen, of om een bijzondere reden geen rust konden vinden. Dwaallichtjes konden ook de zielen zijn van vermoorde mensen, misdadigers, zelfmoordenaars, ongedoopte volwassenen, zielen uit het vagevuur en zielen van hen die de grensstenen verplaatst hadden. Wie ze ontmoette, zou door de lichtverschijningen meegelokt worden, en ellendig omkomen.

Zelfs gedoopte, na een lang leven gestorven mensen, konden terugkeren. Jan van der Veen Azn. meldde in 1844 zijn bundel ‘Drentsch Mosaïk’ dat de bevolking van de gemeente Hoogeveen, inclusief de gegoede burgerij, geloofde in ‘het alf zien’ of soms aangaven ‘het alf gezien te hebben’. In dat geval hadden ze dan een beeld gezien uit andere wereld, een blik op de toekomst of op de dodenwereld. Jan van der Veen legt het woord zo uit, dat de Hoogeveners de ‘H’ op de verkeerde plaats zetten, zodat ze iets ‘half’ hadden gezien. Achteraf zeiden ze dan dat ze iets al hadden voorzien. ‘Het alf zien’ is hier dan synoniem voor ‘een helderziende blik gehad hebben’. Maar men zei ook ‘het alf’ gezien te hebben, als men een overledene in levende lijve had zien lopen. Jan zei dit zo: “Zelden sterft er in die gemeente (Hoogeveen) een gewichtige personaadje, of de verhitte verbeelding van deze of gene ziet de overledene korte of langere tijd na zijn begraving, hier of daar wandelen of ter sluiks deze of gene woning bezoeken.” Met ‘het alf’ kon men ook de duivel bedoelen. Waarschijnlijk houdt ‘het alf zien’ dan ook verband met ‘alf’ in de betekenis van boze geest of kwelduivel, ook wel ‘elf’ genoemd. In het Engelse taalgebied duidt men op deze wijze een goede geest aan. Dit vinden we terug in de hedendaagse voorstelling van elfjes.

.