De bloeiende natuur rondom Nieuw-Moscou en Elim: het landschap rondom een omstreden grens

Historicus Albert Metselaar duikt wekelijks voor de Hoogeveensche Courant in het verleden. Deze keer een verhaal over een betwist gebied.

De inspirerende natuur op de zuidgrens van Hoogeveen.

De inspirerende natuur op de zuidgrens van Hoogeveen. Foto: Archief Albert Metselaar

Rond de Franse Tijd eindigde het gebied van de gemeente Hoogeveen in het zuiden bij een prachtig natuurgebied. De turfgraverij had het zuiden al wel bereikt, maar zat het met probleem dat er een langlopend conflict was over de vraag wat Hoogeveen was, en waar Overijssel begon, het gebied van de boeren van Lutten en Ane. Als spanningen opliepen, werden getuigen ingeroepen, die aangaven dat ze al jarenlang ongestoord hun gang konden gaan. Zo gaf Hoogeveen aan dat het gebied toch écht van haar was, en zo krijgen wij een beetje beeld van waar het natuurgebied voor gebruikt werd.

Jan Jans Schonewille had een tapperij en werkte als heideplukker. Dat deed hij zeker al vanaf 1745, vanaf dat hij een jongkerel was. Heideplukken was werk voor de tijd dat er geen turf gegraven kon worden, in het voorjaar of in het najaar. Van de heide maakte men borstels, die weer verkocht werden, en zo haalde men in de tijd dat er weinig werk was toch nog wat duiten op.

Voor dit heideplukken ging hij naar omstreden gebied, naar de venen ten zuiden van de Zwarte- of Statendijk. We lezen namelijk in een verklaring van 14 februari 1791: “Ik ondergeschrevene Jan Jans Schonewille, oud 67 jaren, woonachtig op ’t Echtens-Hoogeveen, verklaar door dezen voor de zuivere waarheid, dat ik langer als 45 jaren mijn werk heb gemaakt van het plukken van heide in ’t veld boven de Friese- of Statendijk en tussen de zelve en de zogenaamde Beek of Krane Rijthe, zonder dat ik ooit of immer daarin door Overijsselse ingezetenen ben verhinderd of gekeerd.”

Berent Harms Vos

Berent Harms Vos (1741-1805) was getrouwd met een zuster van tapper Jan Jans Schonewille, en Berent en Jan werden uiteindelijk dus zwagers. Los daarvan waren ze in 1761 ook al familie: Berent kende de velden als heideplukker, stroper en jager. Berent Harms Vos was blijkbaar een goede stroper geweest, want hij kon als jager in dienst komen bij diverse veeneigenaren en hoge heren uit de Huizen, het dorp Hoogeveen, waaronder de familie Calkoen uit de grote woning aan het Kruis, waar nu een patatkiosk staat. We lezen in een verklaring van 14 februari 1791:

“Ik ondergeschreven Berent Harms Vos van het Echtens-Hoogeveen, oud 50 jaren, verklaar door deze, dat ik 18 jaren voor wijlen de heer H.J. Calkoen van ’t Echtens-Hoogeveen als jager heb gefungeerd, en in die tijd het recht tot jacht in naam van gemelde heer Calkoen uitgeoefend mede op ’t participanten blok, en op ’t veld tussen de Staten- of Friese Dijk en de Krane Rijthe, zonder dat ik ooit daarover op of aanspraak, verbod of tegenstand heb ontmoet.”

Diezelfde dag legde Berent Harms Vos ook nog een verklaring af over zijn andere bron van inkomsten: “Ik ondergeschrevene Berent Harms Vos van het Echtens-Hoogeveen, oud 50 jaren, verklare door deze voor de zuivere en oprechte waarheid dat ik mijn leven lang op het Echtens-Hoogeveen gewoond heb, en veel verkering gehad in het veld tussen de Staten- of Friese Dijk en de Krane Rijthe met het plukken van heide, als anders, dat ik meermalen in tegenwoordigheid en onder het oog van Lutter en andere Overijsselse ingezetenen tot aan de gemelde Krane Rijthe heide geplukt heb, zonder dat iemand hunner mij daar in heeft verhinderd, belet of daarover onderhouden, hebbende echter die van Lutten mij wel verboden dat ik niet verder en over de Krane Rijthe moest komen.”

Een belangrijke verklaring. Als de mensen van Lutten toestaan dat je ten noorden van de Krane Rijthe, een van de beekjes die verderop de Reest zal gaan vormen, aan het werk bent, en je mag er niet ten zuiden van heide plukken, bevestigt dit dan niet dat die Krane Rijthe de echte grensrivier is? Is alles ten noorden daarvan dan niet van Echtens-Hoogeveen? Nee, zou het antwoord worden van een rechter, maar dat was niet het betoog van de kant van Hoogeveen.

Geerts Hooijer

Andere jagers hadden dezelfde ervaring als Berent Harms Vos. De 80-jarige Jurrien Geerts Hooijer verklaarde 1 maart 1791 “….dat ik onder andere om de 50 achtereenvolgende jaren als jager voor onderscheidene heren alhier op het Hoogeveen heb gediend, als bij de heer Van Gessel, Graaf van Stierum, ’t Huis te Echten en de schulte Hidding; dat ik gedurende alle deze tijd de jacht in deze Landschap oostwaarts boven Zuidwolde en het Hoogeveen altoos vrij en onverhinderd heb uitgeoefend, tot bovenaan de Reest, zoverre de Zuidwoldiger groenlanden zich aldaar uitstrekken, en vandaar oostwaarts boven de Braamberg en de zogenaamde Staten- of Friese Dijk heen tot aan de Krane Rijthe.” Ook schaapherders bezochten het betwiste gebied.

Een van hen, Harm Jans (40), verklaarde 23 februari 1791 “…. Dat ik 2 jaren in Kerkenbos op Zuidwolde en een jaar bij Hendrik Hendriks Boertien in het Hollandsche Veld op ’t Zuideropgaande woonachtig de schapen heb gehad, dat ik in die tijd en bijzonder des zomers gedurig met het houden der schapen verkering heb gehad bij de Braamberg, Velsenbult en verder oostwaards in, zonder dat ik immer of ooit daarin ben verhinderd of belet, het zij dat ik in de nabijheid van en op de Velsenbult hoedede, ’t zij oostwaarts boven dezelve.”

Tekst gaat verder onder de foto..

Het bijgaande kaartje geeft een beeld van het betwiste gebied. Op het kaartje gaat het over het gebied tussen de doorgetrokken lijn – de Zwarte-, Staten- of Friese Dijk – en de stippellijn – de zuidgrens zoals Drenthe en Hoogeveen het toen zagen. In deze wijze van denken was het hele gebied tot en met Schuinesloot gewoon Hoogeveen. De beide heuvels linksonder, zijn van links naar rechts de Braamberg en de Velsenbult. Het meertje met het stroompje, rechtonder, is de Krane Rijthe. Het gebied binnen de stippellijn, is het veengebied dat de Hollanders van de Hollandse Compagnie en de eigenaren van het Hoogeveen voor zichzelf opeisten. De onderbroken lijn, schuin over de kaart, is de huidige provinciegrens.

De dikke horizontale lijnen zijn de grenzen van verschillende compagnieën. De dikke verticale lijn is het Zuideropgaande. De kruisjes staan voor de hutten van seizoenarbeiders. Ze werden niet permanent bewoond, en zijn te beschouwen als keten, voor in het voorjaar en de zomer. De blokjes staan voor woningen waar wel permanent werd bewoond. De schets werd gemaakt met behulp van een kaart van Lambertus Grevelijlink uit 1791. Hij gaf opvallend veel meren weer, de zwarte vlekken, maar het is niet duidelijk of die er allemaal nog zo lagen. Het Riegmeer was grotendeels weg, maar de onderste meren of meertjes zullen er nog geweest zijn.