De 77-jarige Jan Blaauw voelt zich bevoorrecht nog te kunnen sporten: ‘Het Activum komt vijftig jaar te laat’

Hoogeveen - In de Hoogeveense sportgeschiedenis nemen de prestaties van het eerste herenteam van Olhaco in de jaren ’60 in de Eredivisie een prominente plaats in. Acht Hoogeveners behoorden tot de volleybaltop van Nederland en zorgden voor landelijke bekendheid. De enige van het succesvolle team, die nog in Hoogeveen woont, is de 77-jarige Jan Blaauw. Hij is altijd sportgek gebleven en voelt zich bevoorrecht dat hij op hoge leeftijd nog steeds volop kan sporten.

De 77-jarige Jan Blaauw voelt zich bevoorrecht nog te kunnen sporten.

De 77-jarige Jan Blaauw voelt zich bevoorrecht nog te kunnen sporten. André Weima

Als de vijf jaren Eredivisie van de heren van Olhaco ter sprake komen, haalt Jan Blaauw al gauw een plakboek tevoorschijn. Dan waant hij zich weer in de sporthal in Coevorden waar de ploeg voor 1200 uitzinnige toeschouwers haar thuiswedstrijden speelde. „Het was een geweldig avontuur. Wij waren acht ego’s en iedereen had zijn nukken, maar als we in het veld stonden vormden we een sterk collectief,” herinnert Blaauw zich. „Het was achteraf jammer dat we onze thuiswedstrijden in de Feithhal in Coevorden moesten spelen. Het Activum komt eigenlijk vijftig jaar te laat.” Er ging nog heel wat aan vooraf aan de vijf topjaren, want Jan werd geboren in Klazienaveen. „Toen ik zes jaar was verhuisden we naar Wormerveer. Op mijn twaalfde kwamen we in Hoogeveen.”

In zijn vrije tijd was er voor Jan eigenlijk niets anders dan sport. „Ik deed allerlei sporten, zoals voetbal, turnen, volleybal en hardlopen. Ik speelde in het eerste van HZVV en daarnaast volleybalde ik bij Pegasus. Op een gegeven moment moest ik kiezen tussen voetbal of volleybal, het is volleybal geworden en daar heb ik geen spijt van. In volleybal heb ik alles meegemaakt.”

Bij Pegasus deed hij ook aan atletiek. Hij werd zelfs Hoogeveens kampioen op de 800 meter. „Ik heb de medaille nog, ik was zo trots als een pauw. Bij Pegasus speelde ik met onder anderen Jan Bols, Chris Bruinsma, Jan Kuiper en Jan Vredenborg. Eén jaar speelden we een klasse hoger dan Olhaco.” In 1962 maakte Blaauw de overstap naar Olhaco, dat in dat seizoen promoveerde naar de Eredivisie. Het werd de opmaat voor vijf onvergetelijke topjaren op het hoogste niveau. „We maakten verre reizen door het hele land. We waren van 10.00 tot 22.30 uur op pad. Daarna gingen Geert Trompetter en ik nog even naar zaal Royal. Nu wordt er geklaagd over grote reisafstanden, maar wij moesten altijd ver weg. Het waren andere tijden. Sporthallen waren er nauwelijks.We speelden in Zeist in het KNVB sportcentrum, in Heerlen in een kerk, in Dordrecht in een theater, in Rotterdam in Ahoy, in de Houtrusthallen in Den Haag, in een veilinghal in Woerden en in de Korenbeurs in Groningen. Het spelen op blote voeten was normaal. Vierbaanswegen waren er ook nog niet veel, dus we reden vaak toeristische routes.”

Opnames Sport en Beeld

De mannen van Olhaco waren landelijke bekendheden. „Elke maandag stonden we in alle dagbladen. We werden vaak geïnterviewd. Olhaco was destijds een begrip in Nederland. Ook Sport en Beeld maakte opnames. Daar hadden we een beetje een hekel aan, want we moesten in grote, felle lampen kijken. Dat was lastig.” Olhaco speelde op toernooien tegen Europese topploegen. „We speelden tegen clubs uit alle Europese landen. We hebben in het Italiaanse Cuneo meegedaan aan een internationaal toernooi, waarvoor de Hoogeveense bevolking geld inzamelde. Op de terugweg met de trein konden we niet verder dan Turijn. Toen hebben we een hele nacht op straat in Turijn geleefd. Met Geert Trompetter speelden we voor een slof sigaretten toernooien in Frankrijk op het strand. In een Franse krant werden we Geràrd Trompettèr en Jean Bleu genoemd. In de competitie zijn we twee keer tweede geworden achter Blokkeer dat altijd kampioen werd. We hebben één keer gewonnen van Blokkeer. Zij speelden ’s middags bij ON in Groningen en ’s avonds zouden ze bij ons wel even kampioen worden. Wij wonnen met 3-1, de bloemen stonden al klaar. Fantastisch was dat. We hebben geweldig gepresteerd, maar ik baal er alleen van dat we nooit Nederlands kampioen zijn geworden.”

In 1967 viel het team uit elkaar en degradeerde in 1968 uit de Eredivisie. Het applaus voor Olhaco was verstomd en de massa had haar favorieten verlaten. Jan vertrok naar SFC in Assen, maar na elf jaar volleybal stapte hij op zijn 30ste over op voetbal. Blaauw runde ondertussen een zaak in woningtextiel aan de Hoofdstraat en trouwde met de Oostenrijkse Liane Glück. Liane richtte met Arend Veld Taska Lederwaren op. Dochter Erika is 41 jaar en woont in Ruinen.

Jan voetbalde van zijn dertigste tot zijn 73ste bij vv Hoogeveen. In totaal voetbalde hij 55 jaar. „Dat was voor de gezelligheid. Ik heb in 1978 nog een jaar in het bestuur van Hoogeveen gezeten toen het eerste Nederlands kampioen werd.” Ook motorrijden was zo’n twintig jaar een grote hobby van Jan. „Met een groep gingen we op de motor regelmatig op reis naar Amerika, Mexico en Europese landen. Soms zetten we de motoren op de trein en reden we rond in Spanje, Frankrijk en Italië.”

Ondanks enkele lichamelijke ongemakken is Jan Blaauw nog ontzettend fit. „Elke zondag loop ik vijf tot zeven kilometer hard. Ik tennis regelmatig, ik wandel twee keer in de week en ik rijd zo nu en dan op een mountainbike. Ik voel me enorm bevoorrecht dat ik dit nog kan doen. Veel jongens van mijn leeftijd willen dat misschien ook wel, maar kunnen dat niet meer. Ik heb veel geluk dat ik nog aan sport kan doen. Als ik hard gelopen heb, voelt dat heel lekker.” Jan Blaauw doet jaarlijks aan zo’n tien loopwedstrijden mee. Dat de Cascaderun dit jaar afgelast werd spijt hem heel erg. “Vanaf mijn 64ste heb ik alle Cascaderuns gelopen. Dat vind ik een prachtige belevenis. Ik was er deze keer ook weer helemaal klaar voor.” Hij laat diverse vaantjes, bekers en startnummers zien van hardloopwedstrijden. “De Jan Weggemansloop heb ik een paar keer gewonnen. Ik doe altijd mee aan de Bikkelloop, de Erflandenloop, de Singelloop en de wedstrijd op het TT circuit van Assen. Je merkt wel dat je elke keer minder hard loopt en minder kracht hebt, maar dat vind ik niet erg.”