'Verbeter het financieringssysteem voor het onderwijs'

Regio - Onderwijzend personeel voert al lang acties voor meer geld voor het onderwijs. Maar tegelijkertijd komt de vraag op of publiek geld voor onderwijs goed wordt besteed, en daaraan gekoppeld de vraag of het huidige financieringssysteem voldoet. De Onderwijsraad pleit in een gisteren uitgebracht advies voor verbetering van het bestaande systeem.

'Het kan eenvoudiger en er is een betere verantwoording van de uitgaven nodig', stelt de raad in het rapport.

Er zijn veel discussies over de besteding van onderwijsgeld. Ze gaan over de hoogte van het budget, over efficiënte inzet ervan (doelmatigheid), over het al dan niet behalen van specifieke doelen met extra geld (doelfinanciering), en over inperking van de autonomie van scholen met doelfinanciering. De raad constateert dat dit komt door een gebrekkig inzicht in de financiering van het onderwijs, zowel bij de overheid als in het werkveld.

Kamervragen

Zo werden er vragen in de Tweede Kamer gesteld over het oppotten van geld door schoolbesturen. De kern van waren de vragen of de scholen niet teveel geld op spaarrekeningen hebben staan en of er gaan maximum moet worden gesteld aan het spaargeld. 

Een ander punt dat werd besproken was de vraag of scholen wel deskundig genoeg zijn in het opstellen van een begroting. "Vanwege een calvinistische insteek of een gebrek aan financiële deskundigheid begroten ze te voorzichtig”, stelden Jan Hop van RSG Wolfsbos in Hoogeveen, Arjen Boerstra en Arjan Linthorst van Dingstede in Meppel in een opiniestuk Dagblad Trouw en in NRC. 

Minister Arie Slob van Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media bleek echter geen voorstander van het instellen van een bovengrens aan de reserves die schoolbesturen opbouwen.

Nu stelt de raad dat 'er echter ook sprake is van oplopende reserves in het onderwijs en discussie over hoge overhead. Tegenover de geluiden over ontoereikende bekostiging staan de oplopende reserves in het onderwijs en signalen over hoge overhead. Oplopende reserves geven aan dat er geld over is en hoge overhead is een indicatie van mogelijke ondoelmatige bestedingen.' 

Deze discussie is volgens de raad moeilijk te beslechten vanwege een beperkt inzicht in de inkomsten en uitgaven.

Eenvoudiger

De raad pleit daarom voor vereenvoudiging van de huidige bekostigingsvorm. Instellingen krijgen jaarlijks een rijksbijdrage en beslissen zelf waaraan ze die besteden. Dit klinkt eenvoudig, maar de berekening van die rijksbijdrage is nu erg complex. Daarnaast zijn er extra gelden die worden uitgekeerd, bijvoorbeeld voor de aanstelling van nieuwe leerkrachten. De raad vindt dat de overheid met deze doelfinanciering terughoudender moet zijn. 

De raad merkt verder op dat er veel bronnen zijn over de hoogte van het budget, maar dat er geen duidelijke standaard is om te toetsen of dat budget toereikend is. De raad adviseert om te evalueren of er voldoende middelen zijn voor de gevraagde onderwijskwaliteit.

De raad beveelt daarom ook de ontwikkeling naar een scherpere definitie van het begrip doelmatigheid aan. De raad vindt dat hierbij een rol is weggelegd voor onderwijsinstellingen en de wetgever.

Scholen

Instellingen kunnen hun uitgaven beter koppelen aan beleidsdoelen én de verantwoording erover verbeteren. 'Een rechtmatige en doelmatige besteding van de rijksbijdrage vereist meer financiële deskundigheid van bestuurders en toezichthouders dan het geval was onder het oude declaratiesysteem', stelt de raad.

Een betere verantwoording, moet op twee manieren tot stand komen.  

In de horizontale verantwoording (van instellingen aan leerlingen of studenten, ouders, interne toezicht-houders en andere betrokkenen) is professionalisering nodig van interne toezichthouders en mede-zeggenschapsorganen.  De raad adviseert om de Inspectie van het Onderwijs toe te laten zien op de horizontale verantwoording. 

Verticale verantwoording (van de instelling aan de overheid en de samenleving, mede via extern toezicht) en extern toezicht blijven ook nodig. Dat externe toezicht moet, volgens de raad overgelaten worden aan de daarvoor aangewezen instanties, zoals de inspectie en de NVAO (Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie). 


Gerelateerd nieuws