Luchtpost: Uit het bijzondere vliegerleven van Dennis Bakrude (2)

Hoogeveen - In Luchtpost vertelt Gerrit Boxem elke week een bijzonder luchtvaartverhaal. Deze week het tweede verhaal in een drieluik over het bijzondere luchtvaartleven van Dennis Bakrude.

De vorige week heeft u kunnen lezen hoe de in 1950 vlakbij Paramaribo geboren Dennis Bakrude aanvankelijk totaal geen interesse had in de luchtvaart, maar uiteindelijk toch belandde bij de opleiding tot militair vlieger. Na in Canada zijn militair vliegerbrevet te hebben behaald keerde hij in het voorjaar van 1973 terug naar Nederland om op de vliegbasis Twenthe de fijne kneepjes van het vliegervak te gaan leren. Voor het echter zover was moest Bakrude eerst op de vliegbasis Soesterberg meedoen aan een overlevingscursus. Tijdens deze meerdaagse cursus leren de vliegers in buitengewone omstandigheden zichzelf goed kennen.

In het kader van die overlevingscursus werd Bakrude op een nacht ergens in Duitsland gedropt midden in een bos en moest dan maar een weg naar een veilig oord zien te vinden. Ondertussen moest hij ervoor zorgen om niet gevangen genomen te worden door de ‘vijand’, dat waren een stel Duitse militairen die zeer gemotiveerd waren om hem te pakken te krijgen, al was het alleen maar omdat ze voor iedere gevangene een vrije dag kregen. Bakrude: ‘Aanvankelijk lukte het me om uit hun handen te blijven door in een berg hooi te overnachten. In de naastgelegen boerderij kreeg ik van de boerin een kop thee met rum, waarna ik weer vertrok met een stapel boterhammen en een stel sinaasappelen op zak. Maar uiteindelijk werd ook ik gepakt en toen was de lol er flink vanaf. Uren in de kou staan gekleed in slechts een onderbroek, een vliegeroverall en een paar sokken en zo nu en dan een beuk krijgen met een geweer is niet echt leuk. Van een jutezak op je hoofd en een enorme herrie uit de luidsprekers word je al evenmin vrolijk. Toch weigerde ik tijdens de ondervragingen meer te vertellen dan alleen mijn naam en registratienummer. Achteraf bleek dat sommige van mijn collega’s direct hun hele hebben en houden hebben verteld aan ‘de vijand’ in ruil voor een bord erwtensoep...’

Twente

In mei 1973 kwam Dennis Bakrude terecht bij de eenheid die als taak had om de pas gebrevetteerde militaire vliegers te leren opereren onder Europese weersomstandigheden: het 313 squadron op de vliegbasis Twenthe, destijds uitgerust met NF-5 straaljagers. Vliegen in Nederland was totaal iets anders dan vliegen met het kastelenweer in Canada met een zicht van 10 kilometer. Bakrude: ‘Op een dag zei ik tijdens de start vanaf Twenthe tegen mijn instructeur: ‘Dit is shit weer, zo kunnen we toch niet vliegen?!’ waarop de instructeur antwoordde: ‘Niets aan de hand, joh. Het is gewoon een beetje heiig…’ Het was in deze periode dat ik me opeens realiseerde hoe kwetsbaar je als vlieger eigenlijk bent. Dat was naar aanleiding van de dodelijk crash van een iets oudere collega van me, John Woerdeman. Zijn NF-5 werd tijdens de landing getroffen door de bliksem. Hij was van de lichting voor mij en tegen die mannen had ik altijd enorm opgezien. Maar ook die stoere mannen, zo bleek maar weer eens, waren dus niet onkwetsbaar.'

Buitenland

In november 1973 was het dan zover dat Dennis Bakrude bij een operationeel squadron werd geplaatst op de basis Gilze-Rijen. Bakrude: ‘In die tijd opereerden we met onze straaljagers vaak van buitenlandse vliegbases. Zo zaten we in maart 1974 voor langere tijd op de Duitse marinebasis in Schleswig omdat de startbaan op Gilze er vanwege onderhoudswerkzaamheden uit lag. Er werd daar op Schleswig behalve serieus gevlogen ook veel gekkigheid uitgehaald. Tijdens een feestje trakteerden we onze Duitse gastheren op Hollandse haring, Hollandse jenever en Hollandse tulpenbollen. Een van ons deed voor hoe je die moest eten. Tegen de argeloze Duitsers die met open monden zaten toe te kijken zeiden we toen: ‘Ja, jullie willen het misschien niet geloven, maar er is bij ons een tijd geweest dat we tulpenbollen aten.’ Tijdens datzelfde feestje staken we uit pure baldadigheid een zogeheten ‘jeneverhut’ gemaakt van berkenstammetjes in de fik. Opeens ‘streakten’ er dan in het schijnsel van het laaiend vuur drie spiernaakte Nederlandse vliegers dwars door de tuin. De aanwezige Duitse vliegervrouwen, waaronder de vrouw van de basiscommandant, vonden het geweldig. De commandant keek aanvankelijk wat bedenkelijk, maar toen hij zag dat zijn vrouw een en ander wel kon waarderen, lachte hij ook maar mee, zij het als een boer met kiespijn. In augustus van datzelfde jaar gingen we op bezoek bij een Canadees squadron op de vliegbasis Baden-Söllingen in Zuid-Duitsland. Die lui vlogen met hun Starfighters zo laag over de Duitse dorpjes dat ze op de klok van de kerktoren konden zien hoe laat het was. Vaak dacht ik: is het nou nodig om zo extreem laag over zo’n dorpje te vliegen? Toen ik dat op een dag tegen ze zei, kreeg ik als antwoord dat die Duitsers niet moesten zeuren, want ze hadden de oorlog verloren.’

In maart 1975 werd Dennis Bakrude overgeplaatst naar het fotoverkenningssquadron op de basis Volkel. Bakrude: ‘Het was de tijd van de Koude Oorlog en dat betekende dat er volop gevlogen werd op soms de onmogelijkste tijden. Ik kreeg dan bijvoorbeeld de opdracht om op een dag om zes uur in de ochtend foto’s te gaan maken van een raket-eenheid in Duitsland. Dat betekende opstijgen om half zes. Iedereen in de omgeving van Volkel was ineens klaarwakker als ik met nabrander aan het luchtruim koos. Eenmaal aangekomen boven het doelwit sliep tot in de verre omgeving daarvan ook daar niemand meer nadat ik op enkele tientallen meters hoogte met 900 kilometer per uur was komen overvliegen.’

Volgende week kunt u lezen hoe Dennis Bakrude tot twee keer toe zijn straaljager met de schietstoel moest verlaten.