Hoe zag het eerste kerkje aan het Dwarsgat eruit?

Elim - Historicus Albert Metselaar duikt wekelijks voor de Hoogeveensche Courant in het verleden. Deze keer in de rubriek Historie een verhaal over Hotel Frederiks.

De kerkelijke situatie rond het Dwarsgat (nu Elim) is rond 1865 al even schrijnend als die van het onderwijs. Hervormd of Afgescheiden, het maakt niet uit. In alle gevallen betekent dat: flinke afstanden lopen en slechte wegen. Er zijn nogal wat mensen Hervormd, daar rond dat Dwarsgat. Maar de Hervormde Gemeente van Hollandscheveld is arm en heeft grote problemen met de predikant. Men kan niets voor het Dwarsgat betekenen.

Verveners

In die schijnbaar uitzichtloze situatie, met zijn ongewone problemen, waarin op kerkelijk gebied niets te verwachten lijkt, komt er een ongewone reactie: enkele verveners gaan een kerk stichten, op de noordkant van de Brandligtswijk, aan het Dwarsgat. De grond staat rond 1830 op naam van schipper Roelof Troost en consorten. Als zijn erven in 1867 de grond scheiden, wordt er een kerkje geregistreerd op naam van zijn zoon Karst Jacobs Troost. Omdat er veel meer erven waren, kan het initiatief niet buiten hen om zijn gegaan. Volgens het kadaster is het kerkje gebouwd in 1867. Nu 150 jaar geleden. De oudste exact bekende vermelding van het kerkje is die in de notulen van de gemeenteraad van Hoogeveen, over de vergadering van 16 juli van dat jaar. Op 16 juli 1867 vroeg het raadslid J.J. Zwiers aandacht voor de jeugd van het Dwarsgat. Hij sprak daarbij over ‘een woning, toebehorende aan K.J. Troost’. Dit moet het kerkje zijn geweest.

Didericus

De laatste voorganger in het kerkje was Didericus van Leeuwen (1847-1917). Didericus en zijn vader, ds. Marinus van Leeuwen, zorgden indirect ook voor de naam. Men sprak in de velden van ‘het Van Leeuwenkerkje’. Volgens een overlevering, in 1985 opgevangen uit de mond van Didericus van Leeuwens kleinzonen, was het kerkje aan het Dwarsgat een geschenk ‘van de baozen an de arbeiders’. Het was geen geschenk in de zin dat de eigendomsrechten werden overgedragen. Karst Jacobs Troost en zijn weduwe bleven de eigenaren tot 1893. Het geschenk bestond hieruit, dat ‘de baozen’ ervoor zorgden dat er een gebouwtje kwam te staan, dat ‘de arbeiders’ konden gebruiken voor hun kerkdiensten. Als er over ‘baozen’ gesproken wordt, is het een meervoudsvorm. Ook dit geeft aan dat het niet alleen Karst Jacobs Troost was, van wie het geschenk kwam.

Dat dit gebouw op naam van Karst werd gezet, was een handige zet. Karst was de oudste broer, dat bracht verantwoordelijkheid mee. Karst woonde buiten het gebied van de Hervormde Gemeente van het Hollandsche Veld en zou in tegenstelling tot zijn broers Roelof en Jan, wonend in het Hollandsche Veld, door deze kerkstichting in zijn eigen kerkelijke gemeente geen moeilijkheden krijgen. Als we de kerkstichting zien in een bredere context, krijgen we de indruk dat dit een zet was waar ook de ‘baozen’, grootgrondbezitters en veen-eigenaren, belang bij hadden. Het was een onderdeel van een politieke strijd tussen de eigenaren van de gronden rond het Dwarsgat en de eigenaren van gronden rondom het Oostopgaande bij Nieuwlande, de familie Bruins Slot en consorten. De kerk zou meer mensen interesseren in wonen in deze omgeving. Meer ontginningen. De grondprijs zou stijgen.

Brief van 7 februari 1900

Er werd tevens ingespeeld op ontwikkelingen die al gaande waren. Er werden namelijk al godsdienstige bijeenkomsten bij het Dwarsgat gehouden, in particuliere woningen, door twee voorgangers uit Dedemsvaart. In een brief van 7 februari 1900 haalde Didericus van Leeuwen herinneringen op: ‘Het is meer dan vijfendertig jaar geleden, lange tijd voor er een Gereformeerde Kerk te Hollandsche Veld bestond, dat het de Heere naar Zijn vrijmachtig welbehagen behaagde, in deze omgeving, tot dusverre een geestelijke wildernis, waar Sabbatsschennis en andere zonden heersende waren, met Zijnen Geest te komen bewerken. Ofschoon niet bearbeid door de Hervormde of toenmalige Christelijke Afgescheiden Kerken van Hoogeveen, behaagde het Hem, Die alleen arbeiders in Zijnen wijngaard belieft uit te stoten, van uit Dedemsvaart twee eenvoudige mannen, veenarbeiders van beroep, te zenden, namelijk Hendrikus Meijering en Harm Elferink (= Welfing). Mannen die zelf door de Heere krachtdadig bekeerd, nu door de liefde Christi gedrongen werden, om naar de mate der gaven hun geschonken, van Hem, Die hun leven geworden was, mochten getuigen. En niet te vergeefs! Zielen, tot nog toe in de macht van Satan, werden, door hun dienst, toegebracht tot de Gemeente, die zalig wordt. Eerst sprekende in een particuliere woning werd alras behoefte gevoeld aan een geschikt lokaal van te samen komst. Maar hoe daartoe te komen? De alhier wonende arbeidersgezinnen waren te arm om een gebouw te stichten; zij bezaten daartoe ook geen grond. En zie! De Heere bewerkte het hart van de vervener K.J. Troost en een gebouw verrees!’

Karst Jacobs Troost

De eer werd gegeven aan Karst Jacobs Troost, die na de bouw van het kerkje als eigenaar fungeerde. De overlevering ‘geschenk van de baozen an de arbeiders’ kunnen we echter ook zo uitleggen, dat de arbeiders zelf alles beheerden en zelf alle beheerskosten droegen. Het was in die zin ‘hun’ kerkje. Dat strookt ook met andere overleveringen. Hoe zag het eerste kerkje aan het Dwarsgat eruit? Het kerkje had zijmuren van 2,75 meter hoog, van binnen een open kap en een zaalruimte van 9 bij 5,3 meter. In het zaaltje stonden banken opgesteld, goed voor naar schatting 80-100 mensen. Op de vloer lagen rode en blauwe vloertegels, om en om gelegd, als velden van een dambord. Tegen de noordmuur stond een kachel, waar omheen tijdens zondagsschool en catechisaties in de koude de leerlingen zaten. De preekstoel van het kerkje was waarschijnlijk een eenvoudig laag podium, met daarop een houten opbouw, waarop de bijbel en te lezen teksten konden worden gelegd. Waarschijnlijk stonden aan weerszijden daarvan twee schuine banken, voor de kerkenraad en het latere kerkbestuur. Het gebouwtje stond oostwaarts gericht en had in de zuidgevel vier flinke ramen, waardoor de kerk op natuurlijke wijze verlicht werd. Het kerkje kon betreden worden door een dubbele deur op de westzijde.

Wat we ervan kennen, lijkt sprekend op een kerkje dat nu nog in Een staat. Vandaar dat we met dat kerkje een beeld kunnen krijgen van het Van Leeuwenkerkje, zoals het eruit had gezien, als het er nog had gestaan. Het werd echter in 1917 gesloten. 100 jaar geleden. Het was namelijk overbodig geworden. Er zat een noodgemeente en die kreeg toen een echte Hervormde kerk. Maar de huidige Hervormde Gemeente en Elim waren niet geweest zoals we ze nu kennen, zonder dat Van Leeuwenkerkje.