Historie: Het gebouw van de Duitse wacht was aanmeldpunt voor Joden

Hoogeveen - Een 'canon' is een geschiedenis van een plaats in hoofdlijnen, waarbij enkele centrale punten eruit worden gehaald, om daar meerdere verhalen aan te hangen. De Canon van Hoogeveen is inmiddels landelijk erkend.

De Canon van Hoogeveen is daarom ook toegevoegd aan de landelijke site van regiocanons. Toen de canons populair begonnen te worden, kwam ook de vraag naar boven of een plaats ook geen ‘Zwarte Canon’ zou moeten maken. De dingen waar je niet trots op bent, die je het liefst wegdrukt, maar in herinnering moet houden omdat je zoiets nooit weer moet beleven.

Als die er komt voor Hoogeveen, heeft het wegvoeren van de Joodse gemeenschap gegarandeerd een plaats. Want we kunnen het niet enkel wijten aan ‘de oorlog’, of ‘de nazi’s’. Het was een deel van Hoogeveen zelf dat het wegvoeren mogelijk maakte, in de nacht van 2 op 3 oktober, nu 70 jaar geleden. Een bewaard gebleven administratie getuigt ervan. Een wegvoeren dat zo goed mogelijk was, omdat ons gemeentelijke ambtelijke apparaat en de plaatselijke politie geheel meewerkte.

16 mei 1940

De Jodenvervolging in Hoogeveen begon al op 16 mei 1940. De inkt van onze capitulatie als Nederlandse Staat was nog amper droog of op het gemeentehuis van Hoogeveen werd door burgemeester Tjalma de volgende brief ondertekend. Een brief die werd verstuurd aan alle Joodse inwoners van Hoogeveen:


Hoogeveen 16 mei 1940
Op bevel van de Duitsche Militaire Autoriteiten deel ik U mede, dat U en Uw eventueele gezinsleden zich Zaterdag 18 Mei a.s. des voormiddags negen uur hebt te melden bij de Duitsche Wacht (Schutstraat 112) alhier.
De Burgemeester van Hoogeveen
J. Tjalma


Schutstraat 112 was de woning van de familie Perdok. Een mooi pand, nieuw opgetrokken in 1937, en onmiddellijk gevorderd toen de Duitsers Hoogeveen hadden ingenomen. Het eerste hoofdkantoor van de bezetters ter plaatse.
Diezelfde 16 mei 1940 wordt op het gemeentehuis al een uittreksel gemaakt van het bevolkingsregister, een lijst waarop alle Joodse inwoners worden vermeld. De bezetter kan vervolgens simpelweg controleren welke Joodse Hoogeveners aanwezig zijn, waar ze wonen en wie niet aanwezig zijn. De lijst is ook door de Hoogeveense ambtenaren zo gebruikt. Aantekeningen bij deze lijst geven aan dat enkele Joodse inwoners overleden zijn of niet meer in de gemeente te vinden. Die lijst, die vreselijke lijst. Men weet dat het niet goed zit.

Wroeging tot aan de dood

Later zal een ambtenaar verklaren dat het hoofdzakelijk het werk was van één man. Dat was hij zelf, onder druk van de ambtenaren boven hem. Hij vertelde dat hij als jongste in dienst was en van bovenaf te horen kreeg dat hij ontslagen zou worden als hij de lijsten niet zou maken. Zijn superieuren wilden er zelf niet aan meewerken. De lijsten gaan met steun van burgemeester Tjalma naar de Duitse autoriteiten. Zijn handtekening staat eronder. Maar die jongeman heeft tot zijn dood toe gezeten met de wroeging van die lijst, die vreselijke lijst. En tegelijkertijd wist hij onder de toenmalige omstandigheden niet anders om te gaan met de druk, die vanuit de gemeente zelf op hem werd uitgeoefend.

Opgedeelde samenleving

De samenleving werd in de oorlogsjaren langzamerhand opgedeeld in Joden en niet-Joden. Alsof mensen op te delen zijn in twee werelden. Joodse winkels en winkels voor niet-Joden, waar Joden niet mochten komen. Wie werkte bij de overheid moest een verklaring invullen dat hij niet-Jood was. Personeel van de gemeente Hoogeveen, personeel van de scholen, ze vulden de verklaringen in. Er zijn geen problemen of protesten bekend bij het invullen ervan.
Het leek zo onschuldig, maar de samenleving werd zo wel gescreend en een groep uit die samenleving werd apart gezet. Joden mochten geen bedrijven meer hebben. Joodse goederen moesten worden verkocht. Enzovoort, enzovoort. Men accepteerde de tweedeling.
De sociaal en maatschappelijk geïsoleerde Joodse gemeenschap van Hoogeveen werd vervolgens langzamerhand weggevoerd. Naar werkkampen. Zo begon het. Steeds meer mensen naar werkkampen. Totdat zelfs de vrouwen en kinderen mee moesten. Omdat daarvoor al zoveel mensen daadwerkelijk naar werkkampen waren gegaan, was ook bij het vertrek in de nacht van 2 op 3 oktober de gedachte dat het ‘maar’ om een werkkamp ging.

Smokkelen kon niet meer

De opdeling kon zo compleet gebeuren, omdat de bezetter alle namen en adressen al had, sinds mei 1940. Alle scholen, overheidsinstanties en het ziekenhuis, moesten verklaringen afgeven voor hun personeel, dat ze niet-Joods waren. Anders mochten ze er niet blijven werken. De bezetter wist wie Joods was. Een school kon niet meer smokkelen met gegevens, om maar een voorbeeld te noemen. Alles lag vast, door die vreselijke lijst.
Op basis van die ene lijst zijn er meer gekomen. Kandidaten voor werkkampen, een lijst van aanwezige vrouwen, het is een hele stapel lijsten geworden. Van 10 september 1942 kennen we een lijstje met 10 Joden die geen distributiekaarten meer mogen ontvangen en daarom ‘gesperd’ moeten worden. De mannen zijn ‘Nicht auffindbare Juden’. Het zijn degenen die op dat moment al zijn ondergedoken: Marinus van Zuiden, Gerhard van Zuiden, Manus van de Wijk, Hartog Akker, Jacob Blein, Nathan Siemon Cohen, Josef de Levie, Benjamin Polak, Abraham van Zuiden, Marius van Zuiden. Ook die kant zit eraan, aan de lijsten. We kennen de namen van wie toen onderdook. Maar dat is een wrang voordeel, als we beseffen dat toen al werd toegewerkt naar het wegvoeren van de Joodse gemeenschap.

Grenzen

Burgemeester Tjalma heeft later verklaard dat hij niet had meegewerkt aan het wegvoeren van de Joodse gemeenschap. Hij was die data, 2 en 3 oktober, ‘toevallig’ net op familiebezoek elders. Hoefde ook niet meer, dat meewerken. Zijn lijsten hadden de totale ondergang al mede mogelijk gemaakt. Hij heeft dat niet zo gewild, dat staat vast. De bezetter had invloed op hem, en hij was loyaler dan anderen, dat staat ook vast. Landelijk gezien valt hij onder de burgemeesters die ongelukkig met deze grens omgingen. Daar zijn meerdere voorbeelden van. De kennis over deze en andere bezwarende gebeurtenissen werd weggestopt, zodat de beleving rondom de oorlog prachtig gestuurd kon worden. Lijsten van Joodse inwoners, opgesteld door het ambtelijke apparaat, van mei 1940, ze zijn zeldzaam in Nederland. Gelukkig.

Lastig onderwerp

De grens van wat je wel of niet moet doen als burgemeester in oorlogstijd, is een lastig onderwerp. Aldus leert ons het verhaal rond Schutstraat 112 Ik schrijf het op, en wat een ander ermee doet, ik heb toch niks gedaan? De levenslange wroeging van de jongste ambtenaar zegt genoeg.