Bijzonder Boeren: Biologisch veebedrijf de Hooge Stoep fokt zelfs ossen op

Nieuw Balinge - De potstal, waar de Limousinkoeien van de Hooge Stoep in de winter behaaglijk warm staan, ligt er verlaten bij. Alle koeien staan buiten in een van de vele weilanden in natuurgebied de Geeserstroom.

Alleen de kat Parbleu en een aantal boeren- en huiszwaluwen dwalen door de lege stal. ‘Desolaat hè’, zegt boer Jan Klijnjan. Hij komt net het erf op rijden met de trekker vol balen gemaaid gras. ‘Ik had liever pakken hooi, maar het gras blijft te nat. Ik heb ze daarom maar ingewikkeld.’

De 150 runderen, die het biologisch vleesveebedrijf telt, verorberen heel wat kilo’s. Hun voer bestaat uit hooi van de kruidenrijke natuurterreinen, zonder kunstmest en bestrijdingsmiddelen, aangevuld met weinig krachtvoer uit de biologische landbouw. Dit krachtvoer bevat géén groeibevorderaars, hormonen, genetisch gemanipuleerde stoffen, diermeel en antibiotica.

Jan runt sinds 1990 de biologische boerderij samen met zijn vrouw Henriëtte Sabel. Jan was het boerenleven niet onbekend. De voormalig medewerker van Staatsbosbeheer bracht als kind heel wat uren door op de boerderij van zijn opa. Voor Henriëtte was het runnen van een boerderij als dirigent en muzieklerares onbekend terrein, wel is zij opgegroeid met een biologische levensstijl. ‘We werden daardoor ook niet gehinderd door kennis’, zegt ze met een glimlach.

Vooraf had het echtpaar goed onderzoek gedaan naar de kwaliteit van het gras in het gebied en de omstandigheden. ‘Verder hadden we een lijstje gemaakt met vleesrassen en zo de eigenschappen vergeleken. Ook keken we naar de markt en wat bij onze portemonnee paste. Zo kwamen we bij de Limousin.’

Keltisch zeezout

De biologische werkwijze en levensstijl is op de boerderij aan de Verlengde Middenraai ver doorgevoerd. Zo krijgen de dieren niet een gewone liksteen, maar worden ze verwend met echt Keltisch zeezout. Henriëtte: ‘We hadden ooit een koe met problemen aan haar poten. Ik had gelezen dat de mineralen in Keltisch zout (maar liefst 86) zouden kunnen helpen. Stoffen die de dieren nodig hebben. Sindsdien zijn we er nooit meer mee gestopt, ook al is het duurder. Ze zijn er razend op.’

Andere bijzondere details zijn dat er geen kalveren naar de slacht gaan (Henriëtte: ‘Ooit gedaan, vond ik stinkend vervelend’), dieren nooit alleen naar de slager worden gebracht en dat jonge stieren worden gecastreerd en als os worden opgefokt. ‘Om stieren af te mesten is het voedsel uit het natuurgebied te arm. Bovendien is er te weinig grond direct om het huis om stieren op te laten lopen. Daarom castreren we ze en mogen ze als os door het leven. Limousinstieren zijn sowieso goedaardig, maar als os worden het echte goedzakken en kunnen makkelijk tussen de koeien en de pinken lopen.’

Alle dieren hebben ook nog hun horens. ‘Dat hoort bij de Limousin. Waarom zouden we ze eraf moeten halen? Ze hebben ze, dus ze hebben vast een functie. Ook al is nooit bewezen wat precies. Omdat onze dieren horens hebben, geven we hen wel wat meer ruimte in de stal. We hebben er nooit last mee gehad en ze hebben elkaar er ook nooit mee verwond.’

Weilanden van Staatsbosbeheer

Vanaf begin mei tot eind november lopen alle dieren buiten in de weilanden van Staatsbosbeheer. Daar worden dus ook de foto’s gemaakt. Zodra boer Jan ‘Kom! Koooooom maar!’ roept, zet de kudde zich in beweging en dendert van de bosrand naar Jan en Henriëtte toe. Loeiend en nieuwsgierig snuivend gaan de dappersten op zoek of ze ook wat biks hebben meegenomen.

De jongste kalfjes verstoppen zich achter de moeders. Alleen een stierkalf is niet schuw en dringt zich naar de voorste regionen. Rustig laten de dieren zich door de fotograaf vastleggen. Totdat Jan de bak zout aanvult. Binnen enkele seconden is Jan omringd door koeien. Fotograaf André Weima grinnikt verbaasd: ‘Dat was nog eens een korte tijdspanne om een foto te maken.’

Het vee leidt dus een prima leven voordat ze naar de slacht gaan. Het vlees wordt verkocht aan particulieren, een biologische groothandel en aan restaurant de Voscheheugte. ‘Sinds de start van ons bedrijf verkopen we het vlees van onze dieren rechtstreeks aan de consument. Tot 2001 voornamelijk in vers vleespakketten, ná de start van de Boerderijwinkel in 2001 ook in kleine gezinsporties verpakt. Een tijd stond op de verpakking ook de naam vermeld van het dier. Dat was toch best confronterend voor veel mensen en de slagers keken altijd wat vreemd naar onze bijzondere koeiennamen, denk aan planten-, bomen- en vogeltjesnamen. Nu staan er alleen nummers op, maar ik weet altijd precies om welk dier het gaat. Wij dragen verantwoording voor onze koeien; van de geboorte tot na hun dood.’