Boerenleven: Boer Henk maakt van 'jammergewas' een succes

Pesse - Wesseling zit ontspannen in de keuken. Hij praat vol enthousiasme over zijn passie voor de akkerbouw. In de huiskamer hangen nog slingers van het verjaardagsfeestje van zijn jongste zoon.

Hij kijkt naar buiten, naar de regen. ‘Het weer van de laatste tijd is nog geeneens zo slecht’, zegt hij. ‘Het is lekker groeizaam weer.’ Tegelijkertijd is het zo dat het niet te gek moet worden met de regen. ‘In het zuiden van het land is dit jaar zoveel gevallen dat alles kapot is. Een aardappel mag bijvoorbeeld geen 24 uur achter elkaar onderwater staan. Dan is de aardappel weg. Dit jaar heeft het zuiden van het land te maken met gigantisch veel regen. Vorig jaar hadden wij die pech.’

Wesseling heeft een akkerbouwbedrijf met 70 hectare grond. Op 50 hectare staan aardappelen. Op de rest staan nog wat suikerbieten, gerst en uien. Waarom aardappelen het hoofdbestanddeel van zijn bedrijf zijn, kan hij moeilijk uitleggen. Of toch wel. ‘Mijn opa is het bedrijf begonnen. Aardappelen waren toen een belangrijk onderdeel van het bedrijf en dat is altijd zo gebleven. We leveren onder meer aan de frietindustrie. Die heeft altijd vraag naar aardappelen. Wel zeven dagen in de week. Dat houdt nooit op.’

Sinds vijf jaar

Van de andere gewassen zijn de uien vrij nieuw. Wesseling verbouwt ze pas sinds vijf jaar. Daarvoor teelde hij wortels. ‘Ik had er geen aardigheid meer in. Wortels kan je eigenlijk maar een keer op een stuk land verbouwen. Daarna mogen er niet opnieuw wortelen worden geteeld. Dat is niet leuk.’ In overleg met zijn gewasadviseur, koos Wesseling voor uien. Dat was iets nieuws en een gok. ‘Uien werden toen eigenlijk helemaal niet verbouwd op zandgrond. Dan zouden ze te broos zijn, maar vijf jaar geleden waren er al nieuwe rassen. Daarom hebben we de gok genomen en het heeft goed uitgepakt. Kennissen zeggen dat mijn uien scherper zijn dan de uien in de winkel, maar ik proef zelf het verschil niet.’

De uienteelt vergt toewijding en precisie. ‘In februari beginnen we met de voorbereidingen voor het nieuwe groeiseizoen. Als de weersomstandigheden goed zijn en de grond geschikt is, wordt gestart met het land klaar te maken om de zaden te zaaien. Meestal is dit vanaf begin april. Het is de kunst om zoveel mogelijk gezaaide zaadjes op te laten komen en er zoveel mogelijk uien van kwaliteit van te kunnen oogsten. Dat de grond er dan goed bijligt, is erg belangrijk.’ Wesseling kijkt naar de regen buiten en denkt automatisch terug aan het voorjaar. Een voorjaar dat eigenlijk te nat was om uien te zaaien. Op de eerste maandag van mei gingen de zaadjes de grond in. ‘Is de grond te nat, te droog, gaat het regenen op de dag dat je wilt gaan zaaien? Dat zijn allemaal dingen waar je rekening mee moet houden. Het zaaien van de gewassen is het enige waarvoor ik een loonwerker gebruik. De rest doe ik allemaal zelf. Met de loonwerker moet je ook de werkzaamheden afstemmen. Toen we gingen zaaien lag 95 procent van het ‘uienland’ er goed bij. Dan is het de gok die je neemt of je dat laatste stukje land ook nog in een goede staat wil krijgen of niet. Je weet nooit hoe het precies uitpakt. Ik heb die gok genomen en de 5 procent die er niet zo goed bijlag, doet het nu uitstekend.’

Wesseling is een ‘selfmade’ boer. Hij doet bijna alles zelf en houdt van machines. Hij vindt het een uitdaging om zelf landbouwmachines in elkaar te ‘knutselen’. Dat heeft hij ook voor de uienteelt gedaan. Wesseling levert de uien aan verwerkers in heel Nederland, die het vervolgens over de hele wereld afzetten. ‘Ik ben bij elke verwerker waaraan ik lever op bezoek geweest. Ik wil weten wat er met mijn uien gebeurt en of ik nog dingen kan verbeteren. Zo werd ik erop gewezen dat ik met de tractor de zijkant van de uien kapot reed. Ik wist al dat het een aandachtspuntje was. Mijn tractorbanden waren eigenlijk te breed, maar ik had nooit gedacht dat de uitwerking op de uien zo groot was. Ik heb meteen een oplossing bedacht voor het probleem van de te brede banden onder de tractor.’

Aardig televisieprogramma

Wanneer de fotograaf binnenkomt moet Wesseling lachen wanneer hij wordt aangesproken met boer Henk. ‘Zo noemen ze de boeren in Boer Zoek Vrouw ook. Het is een aardig televisieprogramma. Wanneer ik thuis ben, kijk ik er altijd naar, maar het zet wel een bepaald beeld neer. Het lijkt soms wel erg of het lang leve de lol is. Dat is het niet altijd. Er moet ook verdraaid hard gewerkt worden.’ In een rustige periode werkt Wesselink 40 tot 50 uur in de week. Op hoogtijdagen kan dat oplopen tot 100 uur in de week. ‘Wanneer er geoogst moet worden, ben ik de hele dag van huis. Om 6.00 uur vertrek ik dan met een koelbox onder mijn arm. Wanneer rond 18.00 uur de koelbox leeg is, komt mijn vrouw met de kinderen en een kleed het avondeten brengen. Het lijkt dan net een picknick. Dat is best leuk en gezellig voor een keer, maar wanneer je dat zes dagen achter elkaar moet doen is dat wel wat anders, maar je hebt geen andere keuze. Wanneer het moment daar is om te oogsten moet je ervan profiteren.’

Toch hoor je Wesseling niet klagen. ‘Het is een machtig mooi vak. Je hebt een enorme vrijheid en de voldoening is groot wanneer je van zoiets als de uienteelt een succes kan maken.’