Vuurwerk, carbid en de oeroude lawaaitraditie

Hoogeveen - Historicus Albert Metselaar duikt wekelijks voor de Hoogeveensche Courant in het verleden. Deze keer: vuurwerk, carbid en de oeroude lawaaitraditie.

Vuurwerkverbod? Onze traditie is niet het vuurwerk, onze traditie is lawaai maken met Oud- en Nieuwjaar. En daar hadden we al eeuwenlang diverse methodes voor. Lang, lang geleden, werd in de Utrechtse Doopbelofte voor alle bekeerlingen naar het Christendom opgenomen dat ze het ‘stormen en hoornblazen’ moesten afzweren.

Rond de december-zonnewende werd met hoorns lawaai gemaakt. Eén van de verklaringen voor het midwinterhoornblazen is dat dit daar nog op teruggaat. Met de introductie van het buskruit werd de zaak zo opgepakt, dat bij feesten en Oud- en Nieuw in de lucht geschoten werd.

Dit schieten rond Oud- en Nieuwjaar ging door tot de komst van het carbid. Er waren tevens diverse variaties op. Het buskruit kon ook in bussen, onder bussen of onder emmers tot ontploffing worden gebracht. Als op 6 januari 1898 wordt teruggekeken op de voorgaande jaarwisseling, meldt een Drentse krant via een correspondent uit Uffelte: “Ik weet het, ook elders wordt op oudejaarsavond en op de eerste januari nogal vrij wat kruit verschoten, maar nergens heb ik dat zoveel horen doen als hier. De hele nieuwjaarsdag door werd bijna onophoudelijk aan alle hoeken van het dorp geschoten. ’t Was of je in een belegerde vesting zat.” Kruit als knaltraditie, tot aan de uitvinding van het carbid.

Dat over het ‘schieten’ met buskruit, en het siervuurwerk dan? De opkomst van het vuurwerk is te volgen via de kolommen van de Drentse kranten. Het gebeurde maar mondjesmaat. Op 23 september 1835 was er te Assen kermis en harddraverij. Er viel een fraai bewerkt stuk zilver te winnen. Dat was ’s middags. ’s Avonds om zeven uur was er een publieke danspartij, entré één gulden, met of zonder dame, en de afsluiting was fraai vuurwerk. Dit alles bij Van Erkelens, aan de Klapbrug te Assen. Het is de oudste vermelding in een Drentse krant. Voor het feest ter gelegenheid van het bezoek van Koning Willem III aan Hoogeveen werd in 1873 door de gemeente vuurwerk afgestoken. Het was siervuurwerk, zo lezen we in de beschrijving. D.Schlecht leverde op 5 mei 1873 16 potten Bengaals vuur à 75 cent per stuk. Schlecht was apotheker, oftewel: chemisch onderlegd. Hij zal het zelf gemaakt hebben? Hoe dan ook, het siervuurwerk had nog niets van doen met de feesten op oudejaarsavond.

Carbid is min of meer per ongeluk uitgevonden, onafhankelijk van elkaar door Friedrich Wöhler (1862) en Thomas Leopold Wilson (1888). Een smid kan het maken. Je mengt ongebluste kalk met cokes en verhit het tot 2000 graden Celsius. Vervolgens krijg je calciumcarbide. Kortweg: carbid. De praktische bruikbaarheid had te maken met de eerste gaslampen. Dat kan als lantaarnpaal buiten, fietslamp, autolicht en lamp in huis. Laat een vernuftig bedacht systeempje voorzichtig water druppelen op een stukje carbid, en ontsteek het gas. Het geeft een helder wit licht. Met enige ontregeling en teveel gas ontploft de hele boel. Bij de smederijen werd carbid gebruikt om met het vrijgekomen gas te lassen. Met de electrificering van Nederland, vooral na de Tweede Wereldoorlog, en het uitvinden van betere lasmethodes, verdween carbid naar de achtergrond. Geen moeilijk doen meer met een carbidlamp, gewoon op een knopje drukken en je hebt 100x meer licht dan een carbidlamp ooit kan leveren.

Al ver voor de Tweede Wereldoorlog begon de jeugd te schieten met carbidbussen. Aanvankelijk waren dit vooral oude verfbussen en dergelijke. Ze moesten goed kunnen sluiten en gingen niet al te lang mee. Uiteindelijk scheurde de wand wel een keertje. Schieten met melkbussen was toen zeldzamer. De melkbussen kon je krijgen, als je geluk had, van een boer in de buurt of van je vader. Een oude pulle, afgekeurd door de fabriek. Zo’n pulle was duur en die kreeg je niet zo makkelijk. Het kon zijn dat hij wat roesterig was en niet meer schoon te maken was, dan wilde de melkfabriek de bus niet meer innemen voor melklevering. Wanneer men dat constateerde, dan kreeg je van de melkfabriek een briefje tussen het deksel en de melkbus met de mededeling erop dat hij beter schoongemaakt moest worden, dan was het aan jezelf of je hem nog goed kon krijgen. Of er stond klaar en duidelijk op het briefje dat hij door de fabriek was afgekeurd. Einde discussie, nieuwe melkbus kopen. En dan had de jeugd een oude melkbus. Gaatje achterin gemaakt, en dan schieten in een weiland. De bedoeling was dat het pulledeksel zo ver mogelijk werd weggeschoten. Overdag zat er geen touw aan. Tegen de avond werd er toch maar een touw aan gedaan, want anders kon je het pullelid, het deksel, slecht weer vinden. Aldus vertelden in de laatste jaren van de vorige eeuw de jongeren uit de jaren ’20. Uit kranten uit die dagen krijgen we de indruk dat het schieten met carbid en melkbussen echt iets nieuws was vanaf plusminus 1925.

Vuurwerkdepot

En het vuurwerk? In de vergadering van B&W van Hoogeveen van 20 juli 1920 werd aan T.S. Donker ‘en zijne rechtverkrijgenden vergunning verleend tot het oprichten van een bewaarplaats van ontplofbare stoffen (vuurwerk) in een gebouwtje van steen en asbest aan de westzijde van de streek De Huizen in de tuin van het pand wijk B no. 381, kadastraal bekend in sectie O no. 374.” Een vuurwerkdepot in Hoogeveen in 1920? Dat lazen we dus. Dit wijst op de langzame opmars van siervuurwerk en knallers voor de gewone man.

Knalvuurwerk en siervuurwerk is vooral iets vanaf de jaren ’60 van de vorige eeuw. Toen begon het in omvang flink toe te nemen. Vanwege de prijzen bleef siervuurwerk op de achtergrond bij het knalvuurwerk, maar begon met het jaar meer toe te nemen. Het heeft bij veel mensen het knallen wel veel dichterbij gebracht, maar het carbidschieten nooit verdrongen. Na de oorlog waren er al veel meer melkbussen in gebruik, EN afgekeurden vrij. Toen overal de melktanks opkwamen was een melkbus al helemaal geen zeldzaamheid meer. Je kunt ze nu bij tientallen kopen. Een zegen voor de carbidschieter, die trouwens ook nu nog wel schiet met alles waar een deksel op kan en achterin een gaatje te maken is. Maar de grote experimenten, zoals knallen met een complete giertank of een zelf gemaakt carbidkanon van grote buizen of ander materiaal, dat zijn uitzonderingen. Gevaarlijke uitzondering. Een BOCK, een Bewust Oplettende Carbid-Knaller, leest zich eerst goed in en gaat veilig om met carbid, de bus en zijn naaste omgeving. Dit onder het motto: Verknal het nou niet. Hou je aan de regels en wees blij als we het mogen doen!”, aldus de Hoogeveense stichting die in 2014 het carbidschieten op de Nederlandse lijst van Immaterieel Erfgoed heeft gekregen.